Een verloskundige is alleen bevoegd om een normale zwangerschap en bevalling te begeleden. Zij is er voor opgeleid om te onderscheiden wanneer iets nog 'normaal' is, of wanneer er een verhoogd risico ontstaat en complicaties zich (zouden kunnen) voordoen.

Risicoselectie

Dit heet risicoselectie. Wanneer iemand een verhoogd risico heeft of er treden complicaties op, dan ontstaat er een medische indicatie. Dan wordt je verwezen naar de gynaecoloog. Soms is er alleen overleg met de gynaecoloog nodig (consult) en worden er wat extra onderzoeken gedaan.

Als alles normaal blijkt wordt je weer terugverwezen naar de verloskundige. Soms is het ook nodig dat de gynaecoloog je verder begeleidt. Tijdens de zwangerschap blijf je dan onder controle in het ziekenhuis, en je moet ook daar bevallen (klinische bevalling).

Zwangerschap

De meest voorkomende verwijzingen in de zwangerschap zijn:

  • Een te hoge bloeddruk
  • Afwijkende groei van je baby
  • Een stuitligging bij 37 weken
  • Een belaste ziektevoorgeschiedenis, medische problemen
  • Problemen tijdens een eerdere zwangerschap of bevalling
  • Minder leven voelen, vermindering van kindsbewegingen

Bevalling

De meest voorkomende verwijzingen tijdens de bevalling zijn:

  • meconiumhoudend vruchtwater, de baby heeft in het vruchtwater gepoept
  • Een te trage ontsluitingsfase, het openen van je baarmoedermond duurt te lang. Dit heet een niet vorderende ontsluiting (NVO)
  • Het persen duurt te lang. Dit wordt ook het niet vorderen van de uitdrijving genoemd (NVU).
  • De harttonen van de baby zijn niet optimaal
  • De moeder verliest na de geboorte teveel bloed. Dit heet fluxus.

In het ziekenhuis

In het ziekenhuis heb je te maken met gynaecologen, artsen die in opleiding zijn voor gynaecoloog, arts-assistenten, co-assistenten en verpleegkundigen. Belangrijk is dat je, ook al ben je 'medisch' geworden, praat over je persoonlijke wensen en verwachtingen over de zwangerschap en bevalling. Ook al zal niet altijd alles mogelijk zijn, spreek je wel uit.